Mijn Plaats aan tafel

Uitgelicht

Mijn plaats aan tafel

Mijn plaats aan tafel was in het hoekje van de kamer aan de grote ronde tafel tussen mijn ouders in en tegenover mijn broer.

Mijn plaats aan tafel is de titel van een kunstwerk van de kunstenaar Anna (Anna Verwey) https://www.boijmans.nl/collectie/kunstwerken/40805/mijn-plaats-aan-tafel-2

één van mijn favorieten uit het museum Boijmans van Beuningen. Het is een langwerpige tafel met een tafelkleed erover met een geborduurd motief rondom. Aan één van de hoofden van de tafel is het regelmatige borduursel chaotisch verstrikt, ontregeld.

Ik heb mij zelf altijd een beetje een buitenbeentje gevoeld, snel nerveus… Ik voel me veiliger als toeschouwer dan als deelnemer daar in dat hoekje van de kamer kon ik alles overzien en veilig wegdromen. Wegdromend zo heeft mijn vader mij geportretteerd aan tafel terwijl we notabene een spelletje Mens Erger Je Niet spelen! Ik nam niet echt deel. Ook nu heb ik de behoefte vaak om weg te dromen.

De ronde tafel, die symbool staat voor gelijkwaardige ontmoetingen, zo wordt hij vaak bij vergaderingen ingezet.  In de legende van koning Arthur gebruikte die een ronde tafel om al zijn ridders evenveel gezag en aanzien te geven. Aan een ronde tafel zit niemand aan de kop, en is iedereen gelijk. Koning Arthur had echter niet door dat eigen hoge status automatisch de posities van de anderen aan tafel bepaalde.

De hoeveelheid macht werd steeds minder naarmate de afstand tussen de plaats van een ridder en die van de koning groter werd. De ridder, die tegenover koning Arthur zat, kwam zo automatisch in de rivaliserende positie.

Mijn moeder staat in het reliëf van mijn vader als alles omvattende Madre Familias afgebeeld. Was hij haar rivaal? Menige ruzie werd er aan onze ronde tafel uitgevochten. Maar mijn vader neemt in het reliëf zelf geen plaats, hij is de toeschouwer of de alwetende verteller, is die niet machtig en tegelijk onkwetsbaar omdat hij het spel heeft opgezet met alle spelregels?

Nu heb ik mijn eigen ronde tafel gemaakt. Samen met leerlingen van 3 scholen. Ik was dit keer uit mijn comfortzone van beschouwer gekropen en was de regisseur. Ik bepaalde het spel. De leerlingen van drie scholen rondom de Rotonde van de Heemraadssingel en de Beukelsdijk namen plaats in groepjes van drien elk van één school rond een kwart van een ronde etsplaat die ik op de rotonde had klaargelegd op tafels op 4 plaatsen van de rotonde. Ik had ook leerlingen aangesteld die moesten bemiddelen tussen de tafels.

Het resultaat is een afspiegeling van de samenwerking en de kwetsbaarheid van de leeftijd, ongeveer 14 jaar, soms volwassen, soms kinderlijk. De ets en de structuur van het linnen werken samen in hun grafische kwaliteit. Om deze grafische kwaliteit door te zetten heb ik er een rafelrand aan gemaakt.

Het zou fijn zijn als de leerlingen in het nieuwe jaar elkaar weer mogen ontmoeten rond deze ronde tafel.

30 december 2021

“Dolce far niente” of “het zalig nietsdoen”

Uitgelicht

“Dolce far niente” of “het zalig nietsdoen”.

Tom Friedman, zelfportret

Tom Friedman, zelfportret

Schetsboek 1996-97 Go de Kroon pag 8.

Schetsboek 1996-97 Go de Kroon pagina 8

Schetsboek go pag 7

Schetsboek 1996-97 Go de Kroon pagina 6

Rustende tuinman 1996 Go de Kroon

Rustende tuinman 1996 Go de Kroon

Omdat ik in Castricum aan het werk was heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om het kunstenaarsdorp Bergen te bezoeken en naar museum Kranenburgh te gaan. Daar is tot en met 24 september een tentoonstelling te zien over “het zalig nietsdoen”, gecureerd door Eelco van der Lingen. Het is een thema  dat mijn vader (Go de Kroon, 1930-1997)  in zijn late werk gebruikte. Hij maakte onder deze titel verschillende emailles van rustende tuinmannen.

In de tentoonstelling zijn naast zich vervelende of mediterende, ook verschillende luierende figuren te zien zoals mijn vader dit motief ook verbeelde. Het lichtblauwe piepschuimen sculptuur van Tom Friedman doet nog het meest denken aan het werk van de rustende tuinmannen. Friedman heeft in het ene oog van de rustende man (een zelfportret) een klein figuurtje geplaatst dat door het oog naar binnen kijkt en daardoor gelijk het zicht van dit oog belemmert. Het rusten en het contemplatieve worden hierdoor gecombineerd. Zijn de rustende tuinmannen in mijn vaders schetsboek ook contemplatief? Hij schrijft in één van zijn schetsboeken over de perioden tussen het maken van de werkstukken in,  tijden van grote innerlijke vertwijfeling en onrust. Ondertussen schetst hij rustende tuinmannen in een idyllisch landschap. Het rusten viel mijn vader zwaar, hij verviel in getob en zwaarmoedigheid. Pas als hij weer aan het werk was voelde hij zich op zijn gemak. Het is zijn laatste schetsboek. Hij was 65 jaar toen hij deze bespiegelingen opschreef, een half jaar na het schrijven van de tekst overleed hij.

Mijn vader gebruikte in zijn werk geregeld een citaat uit Candide van Voltaire: “il faut cultiver son jardin”* De aanmoediging  of het dilemma dat je, van wat je in het leven krijgt, zelf iets moet maken.

In dat geval is de rustende tuinman aan het pauzeren. Maar in het perspectief van mijn vader, die besefte aan het eind van zijn leven te zijn, kan het evengoed zijn dat de afgebeelde tuinman rustte na gedane arbeid. Terugblikte, en de boel de boel liet. De onrust van mijn vader was van existentiële aard: en als het klaar is, wat dan? Mijn vader schreef dat hij zijn 65ste verjaardag anders ervoer dan de meeste mensen. Hij bleef als maar driftig aan het werk: “ik jaag naar de voleinding”**.

 

*Go de Kroon citeerde overigens niet letterlijk: het oorspronkelijke citaat luidt: “Il faut cultiver notre jardin”.

**Pagina 5 van zijn schetsboek 1996-97, op pag 6 schrijft hij nog eens: met de jacht op de voleinding.

Bewaren

Bewaren

Hout

Al sinds 10 jaar geef ik les in grafische technieken. Ik ben een ambitieuze docent en wil mijn leerlingen een stukje verdieping meegeven, een stuk ontwikkeling. Ik heb al een jaar een groepje op de zaterdag. Na een jaar les in linoleumsnede gaan we een uitstapje wagen en ons toeleggen op de houtsnede.  Ik besluit daarom in de bibliotheek naar vakliteratuur te gaan zoeken. Ik heb ooit wel eens houtsneden gemaakt maar weet er het fijne niet van dus besluit ik de literatuur erover raad te plegen. Ik zit op mijn hurken met een boek over grafische technieken in mijn hand, als ik onverwacht gestoord wordt door een wat oudere heer.

“Ja ik zie dat u een boek in uw hand hebt over grafische technieken, je kunt alles met een lepel afdrukken hoor” , vertelt hij mij

.”Ja”, beaam ik, “met een pollepel anders brand je je hand”.

Zichtbaar teleurgesteld door mijn gebrek aan verbazing doet hij nog een poging:

“Weet u dat oude vloerbedekkingsspul, hoe heet dat ook al weer?”

“Linoleum”,

vul ik in.

“Ja, linoléum”,

zegt de man,

“dat gebruiken ze niet meer, daar zit asbest in.”

Ik corrigeer hem:

“linoleum het woord komt van lijnolie het wordt nog steeds gebruikt want er zit geen asbest in, hoogstens zit er in het materiaal wat er onder gelegd is. Linoleum bestaat namelijk maar uit drie natuurlijke ingrediënten”,

doceer ik hem:

“lijnolie, kurk en jute”.  “Ziet u meneer ik maak al 30 jaar linoleumsneden, u kunt mij niets wijs maken”.

“Als u mij iets kunt bijbrengen over houtsneden graag, goedemiddag!”

Ik pak mijn boek over houtsneden mee en laat de meneer onthutst achter.

Geknipt

Geknipt

Een tijdje terug op een woensdagmiddag was ik net klaar met het geven van een workshop toen ik buiten het buurthuis werd aangesproken. Twee dames met hoofddoek, van zo’n jaar of 40 spraken mij aan. Ze bewogen zich om mij heen, mij bestuderend, elkaar aankijkend, knikkend, tot één van hen het ijs brak en vroeg of ik mijn haar geknipt wilde hebben. Ik liep al een tijdje met het idee rond om weer eens de kapper te bezoeken dus ik knikte bevestigend. Eén van de dames vervolgde:

“Hoeveel er af? “

Ze nam een pluk van mijn haar tussen haar vingers:

zoveel?“

 Er ging van alles door mij heen:

Coronaproof? , wat met mijn trouw aan mijn eigen kapper?,  zó kort?

Weer knikte ik bevestigend.

“Wanneer kan je, vanavond? “

Nu schoot de andere vrouw te hulp. Zij legde uit over het examen wat haar vriendin moest doen en het model dat zij daarvoor nodig had. Ik stemde in, alleen niet voor die avond. We spraken voor maandag af, bij de bibliotheek, vlak bij de kappersacademie. Daar zou ik door de kapster in spe worden opgehaald. We wisselde telefoonnummers uit.

“Wel echt komen hè,”

riep ze me nog na, toen we elk onze weg vervolgden. De tijd van de afspraak werd dat weekend nog twee keer naar voren geschoven: eerst even kennismaken.

Toen ik die maandag naar de bibliotheek fietste, rees de twijfel, ik had een dansles, ’s avonds om 8 uur. Nu ja we hadden om 6 uur afgesproken, dan zou dat toch moeten lukken.

… Zou zij er wel op tijd zijn of zou zij net als andere van mijn kleurrijke kennissen de kloktijden wat ruimer interpreteren?

Ze was er, op het bankje voor de Bieb. Eerst even kennismaken met een kopje koffie erbij, we togen naar een terras. Zij vertelde mij dat ze uit Jordanië kwam, dat ze gescheiden was en 4 kinderen te onderhouden had. Mijn zoon heeft via Facebook contact met een Palestijnse jongen in Jordanië, een soort pennenvriend maar dan via de telefoon. We maken plannen om daar een keer naartoe te gaan dus was ik enthousiast over haar komaf. Wat een toeval! Aida* vertelde mij dat ze heel nerveus was voor het examen. Ze verbaasde zich er over:

”Ik durf wel een wild vreemd iemand op straat aan te spreken, maar ik ben doodsbang voor het examen.”

Er stond veel op het spel, ze had € 3000 betaald om een cursus te volgen die tot dit examen had geleid. Met de juiste papieren kon ze aan de slag. Na het kopje koffie ontmoette wij haar vriendin op het bankje voor de Bieb. Haar vriendin was er om haar te steunen, zij vertelde dat de kapster, Aida* al eerder examen had gedaan en toen was gezakt, zenuwen…

Na aansporingen van haar vriendin en van mij liep zij schoorvoetend naar de academie waar al een grote groep vrouwen voor de deur stond te wachten. Eindelijk om 7 uur mochten we binnen en daar…. Daar begon het wachten.

Haar docente wees ons een plekje. Ondertussen werd haar gevraagd een formulier in te vullen. Het komt allemaal omdat ik een hoofddoek draag klaagde ze.

” Anderen hoeven geen formulier in te vullen. Het komt allemaal omdat ik een hoofddoek draag, ze heeft een hekel aan mij!” klaagde ze

Ik zweeg en dacht:

“Hou je daar maar niet mee bezig, je fokt jezelf er alleen maar mee op”

Al haar temperament kwam bij haar naar boven en het wachten hielp niet om rustiger te worden.

Dan mocht ze eindelijk beginnen, ze waste nogal hardhandig mijn haar. Met de kam ploegde ze over mijn hoofdhuid.  Er borrelde van alles bij mij op: ik kreeg de indruk te begrijpen waarom ze was gezakt!

Daarna begon het knippen, jemig, ze liet de schaar vallen! Straks knipt ze in haar woede nog in mijn oor, kwam het in mij op. Ik kreeg volop de tijd om allerlei scenario’s over mijn kapsel te verzinnen, het duurde uren…. Waar was ik aan begonnen? Ze ademde onrustig in mijn nek.

De docent kwam langs en maande haar rechtop te gaan staan. Op een gegeven moment stond mijn haar in ferme slag naar buiten gekruld. Voorzichtig opperde ik dat ik het naar binnen gekruld wenste. Oh dat kwam later….

Of ik als het kapsel me niet beviel toch wilde zeggen dat het me wel beviel… Haar vorige slachtoffer had namelijk ook nog gezegd dat het kapsel haar niet beviel. Het leek of de gelederen zich rond mij sloten ik zat in het complot. Wat als het me toch niet beviel? dit uitspreken zou niet helpen.

Uiteindelijk om 9 uur kwam de föhn er aan te pas, met kordate korte rukjes trok zij mijn haar omhoog en wonderwel viel mijn haar daarna in een mooie boblijn om mijn hoofd.

De examinator kwam langs en riep er een collega bij: de lijn liep scheef stelden ze gezamenlijk vast. En daar kwam onze redding: de collega merkte op:

“Het mankeerde daar nogal, tenzij ik daar om gevraagd had.“

Ik wist wat me te doen stond, zelfverzekerd zei ik: “natuurlijk heb ik daarom gevraagd, recht is zó saai!”

En Aïda? Aïda was geslaagd!

Voor het dansen was ik te laat, ik appte dat ik iemand dringend had moeten helpen met haar examen. Dankbaar namen we afscheid.

*de naam Aida is gefingeerd.

de sollicitatie

Mijn vader zat in “het onderwijs” Hij was een echte docent. Met verve overhoorde hij mijn kennis van de kunst en kunstgeschiedenis. Hij was idealistisch. (Het begint bij goed onderwijs, was zijn motto.) Maar hij worstelde met het nieuwe onderwijssysteem waarin een overdaad aan bureaucratie hem overmande.

Ik geniet er ook van als ik mijn kennis uit de kunstpraktijk kan delen. Het liefst doe ik dat met kinderen. Daarom volg ik de onderwijsvacatures. Laatst sprak ik er met een vriendin over. Ook onze volwassen kinderen en hun toekomst kwamen ter sprake. Haar zoon is een zogenaamd “boomerang kind”, een kind wat na een tijd te zijn uitgevlogen weer op het nest terugkeert. Hij is een begenadigd gitarist en heeft veel plezier in lesgeven. Mijn vriendin vroeg me, in dit verband, op welke websites ik naar vacatures zocht. Toen ik haar die wilde tonen op mijn telefoon, viel uit het hoesje een yellow note, een kladblaadje met… ongelooflijk, daarop de naam van één van de onderwijs recruiters. De website van dat uitzendbureau zocht ik daarom meteen op. Het toeval of noodlot wilde dat ik gelijk op een baan als kunstjuf stuitte. Het was een baan in het Rooms Katholieke onderwijs in Rotterdam. Boven mijn atelier zit een Rooms Katholieke school. Toeval bestaat niet, die baan is voor mij! dacht ik. Ik gaf de vriendin nog wat tips voor haar zoon en besloot gelijk de volgende dag achter de baan aan te gaan.

Een onderwijsbevoegdheid heb ik niet, maar ik heb wel 20 jaar ervaring als gastdocent. Het zou heel wat rust geven als ik een parttime baan in loondienst zou krijgen. Ik trok de stoute schoenen aan en belde de recruiter. Omdat ik mijzelf geen tijd had gegeven om te piekeren verliep het gesprek heel ontspannen. De recruiter geloofde in mij als kandidaat en zou bij de school informeren of zij mij ook in dienst willen nemen zonder bevoegdheid. Het bleek een school in de buurt maar niet de buurschool van mijn atelier. Ik werd uitgenodigd op gesprek.

Met hulp van een vriend, die re-integratiecoach is, bereidde ik het gesprek tot in de puntjes voor. Het gesprek ging goed, men raakte enthousiast. Dezelfde dag nog werd ik gebeld om de nodige papieren in te vullen en het contract te tekenen. De maandag daarop kon ik starten! Wie had dat gedacht? Dat deed ik zomaar even! Toen volgde een appje: slecht nieuws Ondine, je moet toch even wachten. Ze willen toch nog een andere kandidaat spreken. Maar wees niet bevreesd je hebt een goede indruk achtergelaten. De andere kandidaat werd tenslotte gekozen.

Even slikken, ik herpak mezelf en zoek vervolgens de zin achter de gebeurtenis. Het is eigenlijk niet zo’n geschikte baan voor mij. Voor de klas worden gezet zonder bevoegdheid! Nee ik weet het zeker, het kan geen toeval zijn dat ik de baan niet heb gekregen. Ergens was er een beschermengel die mij behoede om van mijn pad als kunstenaar te geraken, mij te laten verleiden tot de Mefisto die Onderwijs heet. Nee, ik heb mijn lesje geleerd! Fluitend ga ik aan het werk in mijn atelier.

 

Ornament gevelkapel Brugge

Pasen en pubers

 

Vanochtend ging ik hardlopen, zondag 7 uur als er nog geen luchtvervuiling is. Ik doe dat al jaren. Ik ben beducht om ziek te worden. Ik weet hoe kwetsbaar ik ben, alleenstaande moeder, zelfstandige, geen ouders meer. Mijn zoon heeft een autistische stoornis, gelukkig heb ik co-ouderschap met zijn vader.

Ik maak mijn rondje, Heemraadssingel, Spoortuin, Graaf Florisstraat. Het lijkt om 7 uur net iets drukker op straat dan vóór de Corona uitbraak. Aan de andere kant van de Singel laat een man heftig hoestend zijn hond uit. Halverwege mijn rondje, in de spoortuin doe ik oefeningen, half fysiek, half meditatief. Ik ben een piekeraar, ondanks de schoonheid van de opkomende zon tussen het jonge lentegroen en de uitbundig fluitende vogels, komen er melancholische gedachten bij mij op. Ik betrap mijzelf op mijn onmacht om het verdriet over de pijn tijdens de relatie met de vader van mijn zoon los te laten, om hem werkelijk te vergeven. Achteraf gezien wel een paasthema. Ook dwalen mijn gedachten af naar het pubermeisje dat geen ruimte voor mij wilde maken in een winkel. Ik zei tegen haar dat ik mijn eigen rede had om voorzichtig te zijn. Zij antwoordde met: dan moet u een mondkapje dragen! Wat zou haar bewegen om zo bot te zijn? Hoe zou zij wel te bereiken zijn?

Na het hardlopen serveer ik mijzelf een paasontbijt. Ik eet alleen, omdat mijn zoon vandaag en komende week bij zijn vader is. Ik luister een stukje Matthäus Passion. Daarna lees ik wat kranten op de computer, een artikel in de Humo.  Het artikel gaat over een boek van de Psycholoog Steven Taylor, over pandemieën en hoe wij als mens daarmee omgaan. Het boek is 3 maanden voor de uitbraak van de Coronacrisis uitgekomen. Het verteld over hoe verschillend mensen kunnen reageren op de gevaren van besmettelijke ziekten en richtlijnen van overheden die er bij de uitbraak van een epidemie geven. Hij heeft het over angstige mensen die direct in actie komen en over lomperiken,  die doen alsof er niets aan de hand is, omdat zij blokkeren op al die emoties. Hij wijst op het belang van het goede voorbeeld van regeringsleiders en over het belang van duidelijke richtlijnen. Die richtlijnen zijn we alleen geneigd om te volgen als we vertrouwen in die overheid hebben.

Als ik dit stukje aan het schrijven ben komt mijn zoon binnen met al zijn schoolspullen en zijn klarinet. Hij heeft ruzie met zijn vader en wil bij mij blijven.

Zijn opa, de vader van zijn vader, verblijft in een verpleegtehuis en heeft Corrona opgelopen. Zijn situatie is redelijk stabiel, we zijn het er over eens dat zijn vader nu al een gedenkwaardige leeftijd heeft bereikt en dat hij al een beetje aan het eind van zijn Latijn begon te raken.

Gisteren twijfelde mijn zoon of hij wel zijn wekelijkse overstap van huis moest maken. Toen heb ik hem geadviseerd het RIVM te bellen voor advies. Dat heeft hij gedaan, het stelde mij gerust dat de medewerker van het RIVM op zaterdag gewoon opnam en advies gaf. Zij adviseerde hem dat hij zolang zijn vader geen verschijnselen toonde dat hij wel kon gaan, maar dat hij wel afstand moest houden. Mijn zoon is bang dat zijn vader ook besmet is geraakt met Corrona, en houdt afstand van zijn vader. Wat zijn vader als beledigend ervaart, zeker nu hij met de zorgen over zijn vader loopt.

Ik haal mijn zoon over om de ruzie met zijn vader uit te praten. Ik heb een afspraak met een vriendin die tot de risicogroep behoort om te gaan wandelen, met 1,5 meter afstand. Voor dat ik vertrek, zeg ik mijn zoon dat je soms de tijd moet nemen om echt de moeilijkheden uit te praten en dat je dan niet letterlijk maar figuurlijk dichter bij elkaar komt. Ik vertel dat ik hoop dat hij er voor kiest om weer naar zijn vader te gaan. Maar als hij daar niet voor kiest dat het dan ook goed is.

Na de wandeling, kom ik thuis en bemerk tot mijn geruststelling dat mijn zoon ervoor heeft gekozen om naar zijn vader te gaan.

De val van Icarus

De val van Icarus

Ik ben aan het etsen en ben daarin wel heel erg ambitieus. De grafische bladen die ik druk zijn 70 x 180 cm. Het is een onderdeel van een project om een boek van dat formaat te maken over de singel bij mij om de hoek.

Mijn vader heeft mij het etsen geleerd. Mijn vader had een etspers op de zolder van wat mijn geboortehuis was. Het huis in de Obrechtstraat in Den Haag. Hij gebruikte de pers om nieuwjaarskaarten op te drukken. Bovendien gebruikte hij het etsen om teksten op beelden en reliëfs aan te brengen. Daar heb ik eigenlijk de meeste herinnering aan.

In 1978 maakte ik mijn eerste ets, een medaille voor een wielerwedstrijd door Den Haag. Mijn broer en ik waren de organisatoren en tevens de enige deelnemers. Helaas was ik het alleen die de eindstreep haalde. Omdat mijn broer, vanwege een conflict, de ronde voortijdig verliet. Zo kende ik, enigszins teleurgesteld, de medaille aan mijzelf toe.

In de kast op zolder stond de fles salpeterzuur met een doodskop erop getekend. Met dat zuur beet mijn vader de letters in zink. Bovendien stonden er middeltjes om de messing en zinken beelden van patine te voorzien in die kast. Hij gebruikte daarvoor onder andere een felblauw goedje: kopersulfaat. Dat noemde hij “verkoopwater”. Daar ets ik nu mee.

Omdat ik op zo’n groot formaat werk passen de platen niet meer in de zuurbak waar ze gewoonlijk in geëtst worden. Hier komt de kennis, die ik van mijn vader heb, me goed van pas. Ik maak om de platen een walletje van plasticine zodat ik er de kopersulfaat in kan gieten.

Dat walletje bracht mij terug naar de sfeer in het atelier van mijn vader. Terug naar het moment dat hij een reliëf maakte over “de val van Icarus”.

Mijn vader maakte een reliëf geïnspireerd op het schilderij van Breughel. Hij voegde een geëtste tekst toe, niet als afdruk maar ook als reliëf. Hiertoe bouwde hij een walletje van plasticine rond het te etsen vlak. De tekst “De boer die ploegde voort” een religieus gedicht van Werumius Buning linksonder.  De haven van Rotterdam linksboven.  Rechtsboven valt Icarus (die ondanks de waarschuwing van z’n vader te dicht bij de zon vliegt). Rechtsonder een commentaar op het schilderij van Breughel. Onder de tekst van Buning nóg een verwijzing: “Guus kom naar huus”.

Het zijn drie verhalen:

De boer, die ondanks dat er zich allerlei rampen om hem heen afspelen met starre devotie blijft werken.

Icarus die hoogmoedig de raad van zijn vader in de wind slaat en naar de zon vliegt waardoor de lijm van zijn vleugels smelt en hij naar beneden stort.

En tenslotte het verhaal uit het liedje van Alexander Curly over Guus. Guus is een boerenzoon die om een trekker te kopen naar Rotterdam gaat. Daar koopt hij een Amerikaanse auto en verspilt al zijn geld aan het “wilde wijven spel”.

Het reliëf dateert van 1980, een jaar later vertrekt mijn broer naar Rotterdam om daar aan de kunstacademie te gaan studeren. Ik volg 3 jaar later.

 

 

Het malle ding van bobbistiek

Mieke Kooyker, met haar boek Het malle ding van Bobbestiek wat bekroond werd met de Gouden Griffel. Leonie Kooiker

Mieke Kooyker

Het malle ding van bobbistiek

Het malle ding van bobbistiek is een kinderboek. Het werd in 1970 uitgegeven en werd geschreven door Leonie Kooiker. Achter deze naam schuilt de zeer hartelijke, avontuurlijke en ietwat ondeugende Mieke Kooyker Romijn. Ik ken haar sinds 5 jaar omdat zij de tante van mijn partner, Oene Gerritsma is.

Het boek ken ik uit mijn jeugd. Bobbistiek was in mijn ouderlijk huis een veel gebruikt woord voor prutjes die er onbestemd uit zagen.

In het boek wordt door hoofdpersoon Bobbie een materiaal uitgevonden, dat eerst kneedbaar is maar daarna heel hard en stevig wordt. Samen met zijn broer Albert maakt Bobbie van bobbistiek een reusachtig ei. Aan het ei monteren ze wieken, die ze met een motortje aandrijven, zodat ze met het ding kunnen vliegen. Het boek was het debuut voor Mieke en werd gelijk bekroond met een gouden griffel.

De personages uit het boek zijn gebaseerd op haar kinderen: Albert, Bob, Huib en Annelie. De oudsten spelen de hoofdrol, daarbij gaan feit en fictie in elkaar over. Bob studeerde later wiskunde, psychologie en biologie maar had het niet makkelijk in zijn leven. Op latere leeftijd kwam hij er tot zijn grote opluchting achter dat hij het syndroom van Asperger had. De autistische trekjes kan je, als je het weet, in het personage in het boek terugvinden.

Mieke laat me een roestig blikje met een afgescheurd etiket zien waarin Bob zijn “schatten” bewaarde: haaientanden, vuurstenen en fossielen. Ook in het echt was Bob met het samenstellen van vreemde brouwseltjes bezig, verteld Mieke. Als de Bob uit het boek hoort dat er wordt gezegd dat het bij de hoge bomen niet pluis is, is hij het er niet mee eens. Hij komt een eigenaardig mannetje tegen dat een pluizige baard heeft en pluizig haar, het is er één en al pluis, constateert hij. Ook het technische inzicht van Albert is op de werkelijkheid gebaseerd. Albert is later Goudsmid geworden.

Het anker uit het boek, vond Albert samen met zijn vrienden en ligt nu in Miekes tuin in Papendrecht. Het is nu wel een andere tuin van een ander huis, aan dezelfde Merwededijk. Het oude huis, waar het boek zich afspeelt staat er nog steeds, een oud statig herenhuis Bosch nummer 17. Daar hield Miekes man Gerard, huisarts, praktijk aan huis. Ze hadden zoals dat gewoon was in die tijd ook een huisapotheek.

Mieke maakte zelf medicijnen voor de patiënten. Potjes en flesjes met spul waren er dan ook genoeg in de praktijk. Deze middeltjes werden ook weleens gebruikt door haar man om zelf vuurwerk te maken. Eén keer ging het mis en stond de muur in brand. Toen Mieke voorzichtig opperde om de brandweer te bellen antwoorde Gerard: “Ben je mal, dat lossen we toch zelf op! “

Dat “zelf oplossen” doen de helden uit het boek voortdurend. Er was op de Bosch 17 niet alleen vuur er was ook water. De tuin stroomde onder als het water in de rivier te hoog stond, ook dat kan je in het boek lezen. Mieke verteld dat zij het belangrijk voor haar kinderen vond om ze op te voeden met de vier elementen. Ze toont een foto waarin ze een tobbe duwt die door de tuin drijft, met haar kinderen er in, terwijl het wasgoed erboven te drogen hangt.

In het boek is er een passage waarin Albert en Bobbie verontwaardigd zijn omdat ze niet op het dak mogen. Eigenlijk mocht er heel veel van de moeder in het boek, maar nu is ze opeens ongerust, ten onrechte stellen de jongens vast.

Hierin herken ik Mieke die altijd heel stoer en nuchter is maar tegelijk heel gevoelig en beschermend naar haar kinderen. Het lijkt alsof zij zich in deze passage over haar eigen grenzen verbaast.

Bob en Albert

meer informatie op : http://www.leoniekooiker.nl/

Groen en Zwart

Onlangs gaf ik les op een school in Rijswijk. De les heet Zwart en Wit naar een serie lino’s die ik maakte. Ik geef regelmatig gastlessen linoleumsnijden op basisscholen in Zuid Holland. Ik kom hierdoor op allerlei scholen. Soms vinden de docenten zo’n gastles maar lastig. Dat voel ik dan direct. Vaak lukt het, zoals onlangs om die docent dan gerust te stellen. Maar het komt ook voor dat de docent je als een bedreiging ziet voor de orde.

Hoewel ik al jaren gastlessen geef ben ik niet opgeleid als docent, ben op dat punt kwetsbaar en voel mij nog steeds een groentje. Onlangs werd ik nog met mijn neus op de feiten gedrukt. De docenten van een christelijke school verzochten mijn opdrachtgever of zij voortaan iemand met meer pedagogische en didactische vaardigheden wilden sturen.

Het was de laatste les van dit seizoen, ik was op een katholieke school. Een heel hoog gebouw met glas en lood in de vensters van het trappenhuis. Het licht wat hierdoor blauw naar binnen viel contrasteerde mooi met het geel van de wanden. Alle schoolgebouwen ademen een andere atmosfeer. Hier was het in de ruime klaslokalen weldadig.

Volgens mijn opdrachtgever moet ik werken aan een beter contact met de docenten. Ik had mij voorgenomen om daar gehoor aan te geven. De docenten waren niet gelijk van het enthousiaste, kunstminnende soort. Maar zij stonden wel open voor de lessen. Eén docente wilde graag doorspreken hoe we het samen zouden aanpakken. Koren op mijn molen! Nu kon ik alles wat ik voorbereid had om aan de docenten te vragen bespreken. Ze vertelde dat ze de kinderen al voorbereid had dat we iets gevaarlijks gingen doen en dat ze daarom extra goed moesten opletten. Ik zei daarop dat ik voor het geval van ongelukjes een EHBO koffertje bij me had en dat ik daarover doorgaans een grapje maak. Doe dat grapje maar liever niet verzocht ze mij. Ze vertrouwde mij toe dat ze als de dood was dat er iets mis zou gaan.

De les verliep voorspoedig en geen enkel kind gutste in zijn vingers. De juf vroeg ter afsluiting aan de kinderen of ze wisten waarom de les zo goed ging. Een meisje antwoorde dat het kwam omdat de groep zo goed geluisterd had en ik zo’n duidelijke uitleg had gegeven. Ik glom.

Na de les wilde ik de juf bedanken voor de fijne samenwerking. Ik stak hiertoe mijn hand uit. Er zat nog wat zwart van de drukinkt op mijn hand, wat ik er bij snel wassen niet af had gekregen. Ik verontschuldigde mij daarvoor. De juf keek heel verschrikt. Zij trok haar hand zo snel terug dat ik mijn dankbaarheid niet kon bevestigen.

 

Heksenkeuken

Als je goed kijkt zie je links in het midden de etspers op mijn vaders atelier. Er staat een figuurzaagmachientje op de plaat.

Heksenkeuken

Een aantal jaren terug verzon ik met mijn collega, Diana van Hal, een toverkeuken. Aanleiding was het begeleidend programma bij de tentoonstelling: Over the etch in Pictura Dordrecht. We maakten een opstelling in de grafische werkplaats om de techniek van het etsen te illustreren. De werkplaats was toen nog een beetje verwaarloosd, waardoor het er extra spannend uit zag. Middeltjes en werktuigen van jaren terug, stonden als een heksenketel verspreid over de ruimte.  Inmiddels een aantal onderwijsopdrachten verder, besloot ik mijn eigen Heksenkeuken te maken.

Sommige spullen in die Heksenkeuken komen van mijn vader. Zij brachten mij in gedachten terug naar mijn kindertijd. Op de zolder van mijn ouderlijk huis had mijn vader een werkplaats om metaal te bewerken ingericht. Er stond daar een etspers met een houten spakenwiel. Ik speelde daar schipper mee. Soms was ik schipper, een andere keer was ik heks. Er waren genoeg spullen op mijn vaders atelier die mijn fantasie prikkelden.  Onder andere ook een kast vol met allerlei geheimzinnige middeltjes in flessen en potjes. Sommige met een doodshoofd erop getekend: SALPETERZUUR. Dat gebruikte mijn vader om te etsen. Een tijd lang kwam er elke zondag een vriend, een liefhebber, om etsles van mijn vader te krijgen. Wat zou ik graag nog eens het advies van mijn vader krijgen over de etstechniek! Hij had het etsen geleerd op de Koninklijke Academie van Willem Minderman. Sporadisch gebruikte hij de techniek in zijn metalen reliëfs om teksten toe te voegen. Hij maakte echter jaarlijks in ets of lino een nieuwjaarswens, waarvan hij er zo rond de 200 afdrukte, om aan zijn vrienden en kennissen te sturen. Menigeen heeft zo zijn eigen “Go de Kroon collectie” opgebouwd.

Als kind heb ik ook weleens een ets gemaakt. Het zuurbad dat zo wonderbaarlijk rook, de waarschuwingen om er voorzichtig mee te zijn, de veer om de oxide weg te vegen, de belletjes die uit het bad opborrelden tijdens het bijten… dat alles heeft een magische indruk bij mij achtergelaten.

Nu pas kan ik die magie op waarde schatten, nu mijn vader al zo’n 20 jaar geleden overleden is. De complexiteit van de etstechniek is groot, soms eindeloos, en daarmee ook de mogelijkheden.

Met de heksenkeuken wil ik die complexiteit verhelderen, keukengeheimen onthullen en een tipje van de sluier oplichten.

De heksenkeuken is te zien bij “het tekenfestival” op 6 en 7 oktober in de workshopruimte van het Boijmans van Beuningen en bij de Pop Up van Villa Zebra, op 19 oktober in Overschie.

Etsmiddelen en gereedschap.

 

Bewaren